Info del Mare nieuwsbrief Nr.3, december 2006
De Eerste Kamer heeft op 12 december 2006 de wetsvoorstellen Wijzigingsplan Paarse krokodil en het Belastingplan 2007 aangenomen. Daarnaast gaat er op 1 januari 2007 wetgeving in die al eerder is aangenomen, waaronder de Pensioenwet. In deze brief geven we een overzicht van de meest ingrijpende maatregelen die op 1 januari 2007 ingaan of waarvoor de jaarovergang van belang is, voor zover dit al niet in de ‘Eindejaarsactualiteiten 2006' is toegelicht.
Inhoud
1 Inkomstenbelasting / premie volksverzekering
1.1 Wijzigingen in tarieven en heffingskortingen
1.2 Investeringen uitstellen of juist niet
1.3 Let op voor desinvesteringsbijtelling bij verkoop bedrijfsmiddelen
1.4 Realiseer tijdig uw herinvesteringsvoornemen
1.5 Meer tijd voor indiening T(j)-biljet
2 Vennootschapsbelasting
2.1 Verlaging en verruiming tarieven
3 Omzetbelasting
3.1 Privé-gebruik van ondernemingsgoederen voortaan als dienst belast
4 Overige belastingen
4.1 Nieuwe WOZ-taxatie voor nieuw WOZ-tijdvak van één jaar
4.2 Laat uw WOZ-beschikking beoordelen
5 Sociale zekerheid en arbeidsrecht
5.1 Andere uitbetaling kinderopvang aan ouders
5.2 Afschaffing PEMBA-premie
5.3 Verhoging van de uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
5.4 Werken bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in 2007 ook lonend voor hogere inkomens
5.4.1 Onbedoeld effect weggenomen
1 Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen
1.1 Wijzigingen in tarieven en heffingskortingen
De algemene heffingskorting wordt van € 1.990 naar € 2.043 verhoogd, de arbeidskorting van € 1.357 naar € 1.399 en de aanvullende combinatiekorting van € 608 naar € 700.
De tarieven in de eerste en tweede schijf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen worden respectievelijk van 34,15 naar 33,65% en van 41,45 naar 41,40% verlaagd.
1.2 Investeringen uitstellen of juist niet
Bent u van plan om binnenkort grote investeringen te doen in uw onderneming? Dan kan het voor u interessant zijn om na te gaan of u deze investeringen allemaal nog dit jaar moet doen of juist moet spreiden over dit en volgend jaar. Dit hangt samen met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. U heeft in 2006 recht op deze aftrek, als u voor meer dan € 2.100 maar minder dan € 229.000 in uw bedrijf investeert. De aftrek varieert van 25% tot 3% van het investeringsbedrag. Het percentage loopt af naarmate u meer investeert en varieert van 25 tot 3% van het investeringsbedrag. Het kan daardoor interessant zijn om investeringen over twee jaren te spreiden. Als u bijvoorbeeld tot € 228.000 investeert in 2006, dan krijgt u daarvoor een aftrek van 3% van het investeringsbedrag, oftewel € 6.840. Als u echter de investeringen spreidt en de helft bijvoorbeeld naar 2007 doorschuift, dan krijgt u in 2006 een aftrek van 10% over € 114.000 is € 11.400.Voor de andere helft krijgt u ook in 2007 10% investeringsaftrek. U heeft dan dus in totaal recht op € 22.800 aftrek (gemakshalve gaan we er vanuit dat u in 2007 geen andere investeringen doet). Kortom spreiden kan tot een groot voordeel leiden. Vooral als u veel wilt investeren. Uw adviseur kan voor u de meest optimale spreiding van uw investeringen berekenen.
Als u in 2006 juist vooralsnog minder dan € 2.100 heeft geïnvesteerd, dan doet er verstandig aan om de voor 2007 geplande investeringen naar voren te halen en al in 2006 te doen. Zo krijgt u in ieder geval wel investeringsaftrek.
1.3 Let op voor desinvesteringsbijtelling bij verkoop bedrijfsmiddelen
Bent u van plan om nog dit jaar bedrijfsmiddelen te verkopen (desinvesteren) waarvoor u in het verleden investeringsaftrek heeft genoten? Als dat zo is, dan kunt u met een desinvesteringsbijtelling te maken krijgen. Dat is aan de orde wanneer u desinvesteert binnen 5 jaar na aanvang van het kalenderjaar waarin de investering is gedaan en de totale desinvestering in 2006 meer dan € 2.100 bedraagt. De bijtelling bij de winst wordt dan berekend over de verkoopprijs vermenigvuldigd met het percentage waartegen u destijds investeringsaftrek heeft gehad. De bijtelling bedraagt maximaal het bedrag van de genoten investeringsaftrek.
Eind 2006 verstrijkt de vijfjaarstermijn voor investeringen die in 2002 heeft gedaan. U kunt de desinvesteringsbijtelling dus eenvoudig voorkomen door even te wachten met de verkoop van die betreffende bedrijfsmiddelen tot 2007.
1.4 Realiseer tijdig uw herinvesteringsvoornemen
De belastingheffing over de boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel kunt u uitstellen door deze winst in een herinvesteringsreserve onder te brengen. Deze reserve moet u echter wel binnen 3 jaar voor een vervangend bedrijfsmiddel aanwenden. Heeft u een herinvesteringsreserve die u in 2003 heeft gevormd, dan moet u vóór 31 december 2006 uw herinvesteringsvoornemen hebben gerealiseerd. Als u dat niet doet, dan wordt de reserve aan de winst toegevoegd en moet u dus alsnog over de boekwinst met de Belastingdienst afrekenen. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt op verzoek een verlenging van de termijn toegestaan.
1.5 Meer tijd voor indiening T(j)-biljet
De Belastingdienst geeft u meer tijd voor het indienen van een T- of Tj-biljet. U kunt deze biljetten nog indienen 5 (in plaats van 3) jaar na afloop van het kalenderjaar waarover de belasting wordt geheven. Bovendien is de hoge teruggaafgrens van € 454 afgeschaft.
U kunt dus tot 31 december 2006 niet alleen een teruggaafverzoek doen voor de jaren 2003, 2004 en 2005, maar ook nog voor de jaren 2002 en 2001, mits de teruggaaf tenminste € 12 bedraagt. Als u in het verleden over 2002 en/of 2001 geen teruggaaf heeft kunnen aanvragen omdat u niet voldeed aan de teruggaafgrens van € 454, dan kunt u dat nu dus alsnog (laten) doen. Dat geldt ook voor het geval u wel een teruggaafverzoek had gedaan, maar dat om die reden is afgewezen. U kunt dan een nieuw verzoek (laten) indienen.
De teruggaaf over 2001 kan alleen met een papieren T- of Tj-biljet die u tot eind december bij de Belastingdienst kunt aanvragen. Als u het biljet in december heeft aangevraagd, dan heeft u tot 1 februari 2007 in plaats van 31 december 2006 de tijd om het biljet in te dienen.
2 Vennootschapsbelasting
2.1 Verlaging en verruiming tarieven
Afgezien van de hiervoor onder de inkomstenbelasting al genoemde maatregelen uit de wet Werken aan winst die ook voor de vennootschapsbelasting gelden, zijn de tariefsverlagingen de meest belangwekkende wijzigingen. Het algemeen tarief wordt op 1 januari 2007 verlaagd van 29,6 naar 25,5% en het speciale tarief voor het MKB voor de eerste € 25.000 winst (nu nog: € 22.689) zelfs van 25,5 naar 20%. Bovendien wordt een tweede MKB-tarief van 23,5% ingevoerd voor winsten tussen € 25.000 en € 60.000.
Tip: Bent u een DGA, verschuif dan waar mogelijk winst van uw BV naar 2007. U kunt dat bijvoorbeeld doen door kosten naar voren te halen, voorzieningen te vormen bijvoorbeeld voor onderhoud of garanties, uw omzet te vertragen of door een pensioen toe te kennen.
3 Omzetbelasting
3.1 Privé-gebruik van ondernemingsgoederen voortaan als dienst belast
Misschien wel de meest ingrijpende maatregel uit het Belastingplan 2007 is de wijziging van de fiscale behandeling van het privé-gebruik van ondernemingsgoederen in de BTW. Als u goederen die tot uw ondernemingsvermogen behoren, zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden gebruikt (gemengd gebruik), dan kunt u de in rekening gebrachte BTW slechts in aftrek brengen naar rato van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden. Het privé-gebruik wordt niet belast. De Europese rechter heeft geoordeeld dat dit Nederlandse systeem niet overeenstemt met de Europese regels. De Wet op de omzetbelasting (Wet OB) wordt daarom aangepast.
De aanpassing houdt enerzijds in dat u bij gemengd gebruik van een tot uw bedrijfsvermogen behorend investeringsgoed, de BTW bij aankoop volledig kunt aftrekken, mits u belaste prestaties verricht. Als u zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht, geldt de aftrek voorzover u belaste prestaties verricht. Anderzijds wordt tegenover de volledige (of gedeeltelijke) aftrek van BTW een corrigerende belastingheffing over het privé-gebruik ingevoerd. Het privé-gebruik van een ondernemingsgoed wordt een belaste dienst. Dat zal ook gelden voor goederen die het bedrijfsvermogen verlaten. Daarnaast komt er een BTW-heffing voor de diensten die ‘om niet' (gratis of tegen een symbolische vergoeding) worden verricht voor bijvoorbeeld privé-doeleinden.
Dit zijn slechts de hoofdlijnen van de maatregel. Voor meer gedetailleerde informatie kunt u contact opnemen met uw adviseur.
4 Overige belastingen
4.1 Nieuwe WOZ-taxatie voor nieuw WOZ-tijdvak van één jaar
De gemeente taxeert momenteel uw woning (of bedrijfspand) om de twee jaar. De waarde die daarbij wordt vastgesteld (de WOZ-waarde), dient als grondslag voor onder meer de onroerende zaakbelastingen en het eigenwoningforfait. Begin 2005 vond de WOZ-taxatie plaats voor het derde WOZ-tijdvak dat geldt voor 2006 en 2007. De gemeente taxeert begin 2007 uw woning opnieuw voor het volgende WOZ-tijdvak. Dat tijdvak zal dan nog slechts een jaar duren en begint op 1 januari 2008. Vanaf 2008 zal uw woning jaarlijks worden getaxeerd en wordt dus jaarlijks een nieuwe WOZ-beschikking vastgesteld.
4.2 Laat uw WOZ-beschikking beoordelen
De meeste woningen zullen in de afgelopen jaren in waarde zijn gestegen, met alle gevolgen voor de hoogte van het eigenwoningforfait en de aanslag onroerende zaakbelastingen. Hoewel de taxatie begin 2007 maar voor één jaar geldt, kan het toch zinvol zijn om de WOZ-beschikking te laten beoordelen. Daartoe kunt u bij de gemeente het taxatieverslag opvragen. Daarin staan de gegevens die van belang waren bij de waardevaststelling. Hierin vindt u de objectkenmerken van uw woning of bedrijfspand, de eventueel beschikbare marktgegevens en de gegevens van vergelijkbare woningen die als uitgangspunt voor de onderbouwing van de waarde van uw woning zijn gebruikt. Ter vergelijking zou u zelf bij het kadaster de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de peildatum (1 januari 2007) kunnen opvragen. In samenspraak met uw adviseur kunt u bepalen of het indienen van een bezwaarschrift in uw situatie kans van slagen heeft. Het bezwaarschrift moet binnen 6 weken na de dagtekening van de WOZ-beschikking zijn ingediend. Na die termijn zit u in 2008 in beginsel vast aan de waardevaststelling van de gemeente.
5 Sociale zekerheid en arbeidsrecht
5.1 Andere uitbetaling kinderopvang aan ouders
Ouders krijgen vanaf 1 januari 2007 geen bijdrage voor kinderopvang meer van hun werkgever. Daarvoor in de plaats ontvangen zij van de Belastingdienst/Toeslagen naast de bestaande inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag, een verhoging. De huidige aanvullende toeslag voor werknemers met een ontoereikende werkgeversbijdrage komt per 1 januari aanstaande te vervallen. De verhoging bedraagt 1/3 van de kosten van kinderopvang en geldt voor ouders die beiden tegenwoordige arbeid verrichten. Dat kunnen dus zowel werknemers als zelfstandigen zijn. Uiteraard komt ook een alleenstaande ouder voor de verhoging in aanmerking.
Let op: De werkgever van een DGA (zijn BV) is weliswaar geen opslag voor kinderopvang in de premie sectorfondsen verschuldigd, maar de DGA voldoet wel aan het criterium voor de verhoogde kinderopvangtoeslag. Hij (zij) verricht immers tegenwoordige arbeid.
5.2 Afschaffing PEMBA-premie
Als werkgever betaalt u momenteel naast de basispremie voor de WAO ook een gedifferentieerde premie. Dit is de PEMBA-premie. De hoogte van deze premie is afhankelijk van het aantal werknemers dat binnen een onderneming of branche in de WAO is ingestroomd: hoe meer werknemers in de laatste twee jaren instroomden des te meer premie u moet betalen.
In het Najaarsakkoord van 2004 werd toegezegd dat als de instroom van arbeidsongeschikten in 2006 minder dan 25.000 mensen zou bedragen en de afspraak met werkgevers dat over twee ziektejaren niet meer dan 170% loon wordt doorbetaald, zou zijn nagekomen, de PEMBA-premie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 zou worden afgeschaft. De PEMBA-premie wordt echter wel afgeschaft, maar niet met terugwerkende kracht tot
1 januari 2006. U moet ook over 2006 en 2007 PEMBA-premie blijven betalen. De WAO-uitkeringen op en na 1 januari 2006 worden weliswaar niet meer aan werkgevers toegerekend, maar daardoor hoeft u pas vanaf 1 januari 2008 geen PEMBA-premie meer te betalen. Alle werkgevers (grote en kleine) zullen pas vanaf 1 januari 2008 eenzelfde premie WAO betalen.
Let op: De gedifferentieerde premie die u betaalt voor de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) die 1 januari 2006 is ingevoerd, blijft bestaan.
5.3 Verhoging van de uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Eind vorig jaar trad de nieuwe Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in werking. Na twee jaar loondoorbetaling door de werkgever komt de arbeidsongeschikte in beginsel in aanmerking voor een WIA-uitkering. Iedereen die op of na 1 januari 2004 ziek is gemeld en tenminste twee jaar ziek is gebleven, heeft te maken met de nieuwe regels van de WIA. Arbeidsongeschikten die al vóór 1 januari 2004 ziek waren, blijven onder de WAO vallen.
De mate van arbeidsongeschiktheid is bepalend voor het recht op een WIA-uitkering en wordt uitgedrukt in een percentage. Dit percentage is afhankelijk van de mate dat de werknemer loonverlies heeft als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid. Een werknemer die niet meer dan 20% van het laatstverdiende loon kan verdienen en voor wie werkhervatting niet binnen 5 jaar aan de orde is, is op grond van de WIA volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Deze werknemer valt dan in de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). In het Najaarsakkoord van 2004 zegde de regering onder de twee hiervoor genoemde voorwaarden toe dat de IVA-uitkering van mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zal worden verhoogd van 70 naar 75% van het laatstverdiende loon.
De regering vindt dat aan de voorwaarden voldoende is voldaan, om de verhoging vanaf
1 januari 2007 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 door te voeren. De betalingen van de verhogingen over 2006 zullen in het eerste kwartaal van 2007 gespreid plaatsvinden.
Let op: De verhogingen zijn niet van toepassing op volledig arbeidsongeschikten met een WAO-uitkering. Zij waren al vóór 1 januari 2004 ziek / arbeidsongeschikt. Op hen is de WIA niet van toepassing geworden, maar is de WAO van toepassing gebleven.
5.4 Werken bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in 2007 ook lonend voor hogere inkomens
De regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-regeling) is bedoeld voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer die tussen 35 en 80% van het laatstgenoten loon heeft verloren. Het accent van de WGA ligt op werkhervatting. Een van de maatregelen om dat te stimuleren is dat werken lonend is gemaakt. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte krijgt namelijk meer inkomen naarmate hij (zij) meer werkt. Als niet wordt gewerkt, bedraagt de uitkering 70% van het laatstverdiende loon. Werkt hij (zij) wel, dan bedraagt de uitkering die naast het loon wordt ontvangen, 70% van het verschil tussen het oude en het nieuwe (lagere) loon. Bij de berekening van de uitkering geldt een maximumdagloon van € 170,33 (in 2006, op jaarbasis derhalve € 44.456,13).
Na afloop van de loongerelateerde uitkering heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte recht op een vervolguitkering of een loonaanvulling. Als hij (zij) niet werkt of met werken minder dan 50% verdient van wat hij (zij) gezien de arbeidsbeperking nog zou kunnen verdienen (‘resterende verdiencapaciteit'), dan bestaat recht op een vervolguitkering.
Verdient hij (zij) met werken meer dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan krijgt hij (zij) een loonaanvulling van 70% van het verschil tussen het oude en het nieuwe loon. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft in beginsel tot zijn 65ste recht op de vervolguitkering of de loonaanvulling.
5.4.1 Onbedoeld effect weggenomen
De uitkeringsstructuur van de WGA-regeling heeft voor mensen die meer verdienen dan het maximumdagloon (op jaarbasis € 44.456,13) een onbedoeld effect. Als zij namelijk arbeidsongeschikt raken, ontvangen zij in sommige gevallen geen uitkering, terwijl ze wel aan de voorwaarden voor het recht op een WGA-uitkering voldoen én hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten. Dat doet zich voor als zij met het werken het maximumdagloon verdienen. Via een Verzamelwet wordt de WGA-regeling per 1 januari 2007 zo aangepast dat ook loonverlies boven het maximumdagloon meetelt bij de bepaling van de verdiencapaciteit. Met ingang van 2007 wordt het dus ook voor mensen met hogere inkomens lonend om bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te werken.